Innovation, Quantum-AI Technology & Law

Blog over Kunstmatige Intelligentie, Quantum, Deep Learning, Blockchain en Big Data Law

Blog over juridische, sociale, ethische en policy aspecten van Kunstmatige Intelligentie, Quantum Computing, Sensing & Communication, Augmented Reality en Robotica, Big Data Wetgeving en Machine Learning Regelgeving. Kennisartikelen inzake de EU AI Act, de Data Governance Act, cloud computing, algoritmes, privacy, virtual reality, blockchain, robotlaw, smart contracts, informatierecht, ICT contracten, online platforms, apps en tools. Europese regels, auteursrecht, chipsrecht, databankrechten en juridische diensten AI recht.

Berichten met de tag cyberbeveiligingswet
Eén incident, twee meldplichten: hoe de Cyberbeveiligingswet (24 uur) en de AVG (72 uur) sinds 15 augustus 2026 naast elkaar gelden bij een datalek

Sinds 15 augustus 2026 kunnen bij een cyberincident met persoonsgegevens twee wettelijke klokken naast elkaar lopen, elk vanaf de eigen kennisname. De Cyberbeveiligingswet vraagt van essentiële en belangrijke entiteiten binnen 24 uur een vroegtijdige waarschuwing aan het CSIRT en de bevoegde autoriteit, binnen 72 uur een melding en binnen een maand een eindverslag. De Algemene verordening gegevensbescherming vraagt van dezelfde organisatie, als verwerkingsverantwoordelijke, binnen 72 uur een melding aan de Autoriteit Persoonsgegevens en, bij een hoog risico, een mededeling aan de betrokkenen. Geen van beide wetten laat de andere wijken. Dit artikel legt de twee regimes naast elkaar, met de artikelen erbij.

Waarom de twee drempels niet samenvallen: het significante incident en de inbreuk in verband met persoonsgegevens

Artikel 25 Cyberbeveiligingswet noemt een incident significant als het de dienstverlening ernstig verstoort, financiële verliezen veroorzaakt of andere entiteiten aanzienlijke schade toebrengt. Persoonsgegevens staan niet in die definitie. Artikel 4, onderdeel 12, en artikel 33 AVG kijken juist alleen naar persoonsgegevens en naar het risico voor de mensen om wie het gaat. Een storing zonder datalek raakt alleen de Cyberbeveiligingswet; een gestolen laptop met een klantenbestand alleen de AVG; ransomware in een patiëntendossier kan onder allebei vallen zodra de zorg wordt verstoord en een risico voor betrokkenen waarschijnlijk is. De Cyberbeveiligingswet en de AVG beoordelen hetzelfde incident dus langs twee verschillende vragen, en elk antwoord heeft een eigen loket en een eigen toezichthouder.

Twee loketten en twee toezichthouders, en artikel 58 Cyberbeveiligingswet dat ze aan elkaar koppelt

De Cyberbeveiligingswet-melding gaat via het meldpunt van het NCSC naar het CSIRT en de sectorale bevoegde autoriteit; de AVG-melding gaat naar de Autoriteit Persoonsgegevens. Artikel 58 Cyberbeveiligingswet verbindt de twee: de bevoegde autoriteit werkt samen met de AP, stelt haar onverwijld in kennis als een overtreding van de zorg- of meldplicht een meldplichtig datalek kan inhouden, en legt voor die overtreding geen tweede boete op als de AP dezelfde gedraging al onder de AVG heeft beboet. Het artikel loopt ook de rol van leveranciers langs, met artikel 33 lid 2 AVG voor de verwerker en artikel 10 Cyberbeveiligingsbesluit voor de toeleveringsketen, en eindigt met het incidentprotocol dat beide beslisbomen op één A4 zet. Eén incidentprotocol met twee beslisbomen is wat een organisatie deze maand kan vastleggen, samen met de meldafspraken in haar leverancierscontracten.

Meer lezen
Vierentwintig uur voor de melding, twee jaar voor het bestuur

Sinds 15 augustus 2026 geldt de Cyberbeveiligingswet, de Nederlandse omzetting van de NIS2-richtlijn. De wet staat in Staatsblad 2026, 187 en het bijbehorende Cyberbeveiligingsbesluit in Staatsblad 2026, 189, beide van 8 juli 2026 en gepubliceerd op 10 juli; artikel 35 van het besluit laat wet en besluit op één datum in werking treden. Geen fasering, geen uitgestelde hoofdstukken. Voor ruim achtduizend organisaties gelden sindsdien registratieplicht, zorgplicht en meldplicht tegelijk, en zijn die verplichtingen vanaf diezelfde dag handhaafbaar.

Drie termijnen aan de voorkant

De meldplicht loopt in stappen: een vroegtijdige waarschuwing onverwijld en uiterlijk binnen vierentwintig uur, de melding zelf binnen 72 uur, en het eindverslag uiterlijk één maand daarna — met een voortgangsverslag en een later eindverslag wanneer het incident langer duurt. Melden gebeurt via het meldpunt dat het NCSC voor dit doel inricht. De zwaarste juridische beoordeling valt daarmee op het vroegste moment, want binnen een etmaal moet iemand vaststellen of een verstoring een significant incident is. De maatstaf daarvoor staat in artikel 25, tweede lid, van de wet; artikel 23 van het besluit maakt aanvullende of specifieke drempels mogelijk, die voor een deel van de entiteiten al via sectorale regelingen en Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2690 zijn ingevuld. Dat pleit ervoor de interne drempel vast te leggen en te koppelen aan een functie die 's nachts bereikbaar is.

Het toezicht was op tijd

Wie handhaaft, is geen open vraag. Artikel 15 van de wet wijst de bevoegde autoriteit per sector rechtstreeks aan, van Binnenlandse Zaken voor de overheid tot Volksgezondheid voor de zorg, en artikel 68 laat de betrokken minister de ambtenaren aanwijzen die het toezicht uitvoeren. Die aanwijzingen verschenen in juli 2026 in de Staatscourant: de Inspectie Leefomgeving en Transport voor onder meer vervoer, drinkwater en afvalwater, de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur voor haar eigen domein. Het handhavingsapparaat stond er dus voordat de eerste meldplicht ontstond.

Meldtermijn van een etmaal, scholingstermijn van twee jaar

Artikel 24 van de wet verplicht bestuurders tot scholing waarmee zij beveiligingsrisico's herkennen en beheersmaatregelen en gevolgen beoordelen, met een termijn van maximaal twee jaar; het besluit werkt de scholings- en certificaateisen uit. Dat legt de asymmetrie bloot die deze eerste maanden kenmerkt: de meldplicht werkt vanaf de eerste dag, terwijl het bestuurlijke oordeel over risico's en maatregelen twee jaar mag rijpen. Die termijn verzacht de zorgplicht niet, en dat maakt de vastlegging van bestuursbesluiten nu belangrijker dan gebruikelijk. Deze analyse zet de rechtsgevolgenkalender op een rij, laat zien waar de zorgplicht en de AI-verordening op dezelfde leveranciersketen landen — waarover wij eerder schreven in Het register komt voor de plicht — en sluit af met vier vragen die deze maand een antwoord op papier verdienen.

Meer lezen
Het register komt voor de plicht: de Cyberbeveiligingswet en de grenzen van één inventarisatie

Op 15 augustus 2026 zijn de Cyberbeveiligingswet (Staatsblad 2026, 187) en het Cyberbeveiligingsbesluit (Staatsblad 2026, 189) in werking getreden. Nederland zet daarmee NIS2 om in nationaal recht, en de sectoren zijn ruimer getrokken dan onder de oude Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen: zorg, onderzoek, afvalwater, digitale dienstverlening en delen van de maakindustrie komen in beeld. Of een concrete organisatie werkelijk essentiële of belangrijke entiteit is, hangt af van de wettelijke definitie en het omvangscriterium, niet van de sector alleen. Voor wie eronder valt, is het vaak de eerste keer dat een sectorale toezichthouder op dit terrein meekijkt.

De zorgplicht begint bij een lijst

De aandacht gaat doorgaans naar de meldtermijnen en de bestuurdersaansprakelijkheid. Operationeel zwaarder wegen de bepalingen in het midden van het besluit. Artikel 16 verlangt beleid voor het beheer van assets, artikel 13 beleid over het gebruik van cryptografie, en de artikelen 10 en 11 beveiliging van de toeleveringsketen en van verwerving, ontwikkeling en onderhoud. Dat zijn vier zelfstandige verplichtingen die wel bij hetzelfde gegeven beginnen: wat heeft u, waarmee is het versleuteld, wie leverde het, en wat is er sindsdien veranderd. Voor cloud-, datacenter-, managed-service- en platformdiensten wijst artikel 4 van het besluit door naar Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2690; dat werkt per hoedanigheid, zodat beide regimes naast elkaar kunnen gelden voor een organisatie die meerdere rollen vervult. Zonder een betrouwbaar antwoord op de eerste vraag zijn de andere drie alleen op papier te beantwoorden — en een cryptografische inventarisatie laat zich, anders dan een beleidsvoornemen, feitelijk toetsen. Één gecombineerd register is daarbij een aanbevolen implementatiemodel, geen voorgeschreven vorm.

Verwante registers, verschillende rechtsgronden

De spreiding maakt het scherper. De Cyberbeveiligingswet stelt de vraag op entiteitsniveau. De Cyber Resilience Act stelt haar op productniveau in twee stappen: de meldverplichting van artikel 14 geldt vanaf 11 september 2026, de overige hier relevante fabrikantsverplichtingen — waaronder de softwarestuklijst — pas vanaf 11 december 2027; hoofdstuk IV van de verordening geldt al sinds 11 juni 2026. Het derde niveau is niet wettelijk maar contractueel, waar afnemers leveranciers verplichten hun cryptografie tijdig te kunnen vervangen. Die verzamelingen zijn niet identiek: een softwarestuklijst hoort bij het productdossier van een fabrikant, een inventaris bij de middelen van een entiteit, en ze overlappen alleen gedeeltelijk. Wat zich wél laat delen zijn de identificatoren. Wie per aanleiding een nieuwe lijst met eigen sleutels laat maken, houdt drie verzamelingen over die niet meer op elkaar te leggen zijn.

Waar AI-systemen buiten het register vallen

Een klassieke inventarisatie gaat over dingen met een versienummer en een eigenaar. Bij AI-systemen zit het model bij een aanbieder, veranderen de gewichten zonder dat de afnemer het merkt en loopt de afhankelijkheid via een API. Artikel 15 van de AI-verordening stelt voor hoog-risicosystemen eisen aan nauwkeurigheid, robuustheid en cyberbeveiliging. Dat een aanbieder daarvoor moet weten welke componenten die eigenschappen dragen, staat er niet met zoveel woorden; het is de praktische lezing van AIRecht. Onder die lezing is het dezelfde veronderstelling als in artikel 16 van het besluit, maar aan de andere kant van de keten. Het artikel werkt zes controlevragen uit waarmee een organisatie kan vaststellen of haar register een toezichtvraag overleeft, en laat zien waarom die vraag uiteindelijk niet administratief is maar publiek: bij drinkwater, ziekenhuizen en onderzoeksdata wordt de hersteltijd bepaald door wat de organisatie vooraf van zichzelf wist.

Meer lezen