Innovation, Quantum-AI Technology & Law

Blog over Kunstmatige Intelligentie, Quantum, Deep Learning, Blockchain en Big Data Law

Blog over juridische, sociale, ethische en policy aspecten van Kunstmatige Intelligentie, Quantum Computing, Sensing & Communication, Augmented Reality en Robotica, Big Data Wetgeving en Machine Learning Regelgeving. Kennisartikelen inzake de EU AI Act, de Data Governance Act, cloud computing, algoritmes, privacy, virtual reality, blockchain, robotlaw, smart contracts, informatierecht, ICT contracten, online platforms, apps en tools. Europese regels, auteursrecht, chipsrecht, databankrechten en juridische diensten AI recht.

Berichten in AI Act en toezicht
Het anagram van Huygens en de aanval die niemand publiceert

Christiaan Huygens legde in 1656 een reeks losse letters vast achterin een geschrift over Saturnus. Wie de reeks las wist niets; wie drie jaar later de oplossing zag in Systema Saturnium, wist dat Huygens de ring al die tijd had gekend. Die zeventiende-eeuwse gewoonte kreeg in augustus 2026 een juridische keerzijde. In PRX Quantum verscheen op 21 augustus „Securing Elliptic Curve Cryptocurrencies against Quantum Vulnerabilities” van Babbush, Gidney, Boneh en anderen, met een middelenschatting voor een quantumaanval op secp256k1 in de orde van 1.200 logische qubits. De geoptimaliseerde circuits bleven achtergehouden onder responsible disclosure, en de gestelde bovengrens werd vastgelegd in een zero-knowledge-bewijs. Er ligt sindsdien een gecontroleerde bewering op tafel waarvan vrijwel niemand de onderbouwing heeft gezien.

Het bewijs hield, de bewijsmachine niet

Dat die constructie zorgvuldige formulering verdient, bleek al eerder. Trail of Bits publiceerde op 17 april 2026 een vervalst bewijs met betere cijfers dan Google zelf — geen quantumdoorbraak, maar geheugen- en logicafouten in het Rust-gastprogramma dat de te bewijzen berekening definieert. De verifier accepteerde vervolgens correct een geldig bewijs onder die gebrekkige relatie, niet te onderscheiden van een echt bewijs; Google repareerde de code en de wetenschappelijke claim bleef staan. Vier lagen vallen in het spraakgebruik samen en gedragen zich juridisch verschillend: de eigenschappen van het bewijssysteem, de omschrijving van de relatie die feitelijk wordt bewezen, de reikwijdte van de bewering zoals de lezer haar begrijpt, en de betrouwbaarheid van wie het bewijs aanlevert.

Drie vormen van beperkte inzage

Nederlandse juristen kennen een verwante figuur. Artikel 8:29 Awb kent de beperkte kennisneming: de bestuursrechter mag stukken zien die de wederpartij niet krijgt, mits de beperking gerechtvaardigd is en de andere partijen toestemming geven voor een uitspraak mede op grond daarvan. Daarnaast staat artikel 78 van de AI-verordening, waarin een toezichthouder de informatie juist wél krijgt en gebonden is aan geheimhouding, terwijl artikel 92 de Commissie eigen evaluatiebevoegdheid en toegang geeft. Het zero-knowledge-geval is de derde vorm: de indienende partij houdt het materiaal zelf, en de controlerende partij krijgt het nooit te zien. Die drie door elkaar halen levert onjuiste verwachtingen op over wat een toezichthouder mag vragen en wat een leverancier mag aanbieden.

Zes vragen voor de praktijk

Voor inkoop, contractsbeoordeling en compliance levert dat een concreet toetsingskader op: wat is letterlijk bewezen, wie formuleerde die bewering, welk verificatieprogramma controleert haar en wie onderhoudt dat, kan een derde de controle herhalen, welke aansprakelijkheid en meldtermijn gelden bij falen, en — de vraag die het vaakst ontbreekt — wanneer vervalt de geheimhouding. De anagramtraditie werkte omdat zij eindig was. Een leveranciersverklaring die op een ongepubliceerd resultaat steunt, hoort daarom een datum te bevatten waarop de onderliggende analyse alsnog toetsbaar wordt, met een rechtsgevolg wanneer die datum ongebruikt verstrijkt.

Meer lezen
Vierentwintig uur voor de melding, twee jaar voor het bestuur

Sinds 15 augustus 2026 geldt de Cyberbeveiligingswet, de Nederlandse omzetting van de NIS2-richtlijn. De wet staat in Staatsblad 2026, 187 en het bijbehorende Cyberbeveiligingsbesluit in Staatsblad 2026, 189, beide van 8 juli 2026 en gepubliceerd op 10 juli; artikel 35 van het besluit laat wet en besluit op één datum in werking treden. Geen fasering, geen uitgestelde hoofdstukken. Voor ruim achtduizend organisaties gelden sindsdien registratieplicht, zorgplicht en meldplicht tegelijk, en zijn die verplichtingen vanaf diezelfde dag handhaafbaar.

Drie termijnen aan de voorkant

De meldplicht loopt in stappen: een vroegtijdige waarschuwing onverwijld en uiterlijk binnen vierentwintig uur, de melding zelf binnen 72 uur, en het eindverslag uiterlijk één maand daarna — met een voortgangsverslag en een later eindverslag wanneer het incident langer duurt. Melden gebeurt via het meldpunt dat het NCSC voor dit doel inricht. De zwaarste juridische beoordeling valt daarmee op het vroegste moment, want binnen een etmaal moet iemand vaststellen of een verstoring een significant incident is. De maatstaf daarvoor staat in artikel 25, tweede lid, van de wet; artikel 23 van het besluit maakt aanvullende of specifieke drempels mogelijk, die voor een deel van de entiteiten al via sectorale regelingen en Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2690 zijn ingevuld. Dat pleit ervoor de interne drempel vast te leggen en te koppelen aan een functie die 's nachts bereikbaar is.

Het toezicht was op tijd

Wie handhaaft, is geen open vraag. Artikel 15 van de wet wijst de bevoegde autoriteit per sector rechtstreeks aan, van Binnenlandse Zaken voor de overheid tot Volksgezondheid voor de zorg, en artikel 68 laat de betrokken minister de ambtenaren aanwijzen die het toezicht uitvoeren. Die aanwijzingen verschenen in juli 2026 in de Staatscourant: de Inspectie Leefomgeving en Transport voor onder meer vervoer, drinkwater en afvalwater, de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur voor haar eigen domein. Het handhavingsapparaat stond er dus voordat de eerste meldplicht ontstond.

Meldtermijn van een etmaal, scholingstermijn van twee jaar

Artikel 24 van de wet verplicht bestuurders tot scholing waarmee zij beveiligingsrisico's herkennen en beheersmaatregelen en gevolgen beoordelen, met een termijn van maximaal twee jaar; het besluit werkt de scholings- en certificaateisen uit. Dat legt de asymmetrie bloot die deze eerste maanden kenmerkt: de meldplicht werkt vanaf de eerste dag, terwijl het bestuurlijke oordeel over risico's en maatregelen twee jaar mag rijpen. Die termijn verzacht de zorgplicht niet, en dat maakt de vastlegging van bestuursbesluiten nu belangrijker dan gebruikelijk. Deze analyse zet de rechtsgevolgenkalender op een rij, laat zien waar de zorgplicht en de AI-verordening op dezelfde leveranciersketen landen — waarover wij eerder schreven in Het register komt voor de plicht — en sluit af met vier vragen die deze maand een antwoord op papier verdienen.

Meer lezen
Exportcontrole bereikt de API, en het contract zwijgt

Op 12 juni 2026 gaf het Amerikaanse Bureau of Industry and Security Anthropic de aanwijzing twee modellen ontoegankelijk te maken voor buitenlandse onderdanen. Omdat nationaliteit niet in real time betrouwbaar is vast te stellen, ging de dienst dezelfde dag wereldwijd uit — voor iedereen. Op 23 juni maakte Legion LegalTech Corp, een juridisch softwarebedrijf uit San Jose met een ontwikkelteam in Canada, bij de federale rechtbank in Washington D.C. een procedure aanhangig tegen de Amerikaanse staat. Die procedure liep dood zonder inhoudelijk oordeel: het Department of Commerce trok de aanwijzing eind juni in, de toegang werd hersteld en Legion beëindigde de zaak op 3 juli 2026 vrijwillig. Wat overblijft is geen uitspraak maar een proefopstelling — en voor Nederlandse afnemers een blootstelling. De aanwijzing richtte zich op buitenlandse onderdanen binnen én buiten de Verenigde Staten; dat de aanbieder de modellen vervolgens voor iedereen uitschakelde, was zijn eigen uitvoeringskeuze.

Geen wanprestatie, wel stilstand

Wat er gebeurde, laat zich het beste beschrijven door op te sommen wat er níet gebeurde. Geen storing, geen faillissement, geen datalek. Er was wél niet-nakoming; open staat alleen of die tekortkoming de leverancier valt toe te rekenen. De rekenkracht stond er nog, de modelgewichten stonden er nog, de overeenkomst liep nog. Wat wegviel was de toestemming — en die was in vrijwel geen enkel afnamecontract als variabele benoemd. Het Amerikaanse begrip deemed export ziet daarbij specifiek op vrijgave aan een buitenlandse persoon binnen de Verenigde Staten; levert toegang voor een Canadees in Canada een gecontroleerde vrijgave op, dan komen juist de territoriale categorieën uitvoer, wederuitvoer of overdracht in beeld. Het Unierecht kent voor de eerste figuur geen algemeen equivalent: Verordening (EU) 2021/821 knoopt aan bij een bestemming buiten het douanegebied van de Unie. De risicoanalyse van de leverancier is dus op een andere kaart getekend dan die van de afnemer.

Waarom boek 6 hier weinig oplevert

Een leverancier die een dwingend overheidsbevel uitvoert, beroept zich op overmacht in de zin van artikel 6:75 BW. Slaagt dat beroep, dan is de tekortkoming niet toerekenbaar en vervalt de aanspraak op schadevergoeding — al blijft de contractuele risicoverdeling bepalend. Wat niet vervalt, is de last bij de afnemer. Opschorting van de betaling helpt niet wie de dienst nodig heeft; ontbinding — die volgens artikel 6:265 BW geen toerekenbaarheid vereist — levert een vrije partij op zonder alternatief. Ook de klassieke Nederlandse zekerheid werkt hier niet: broncode-escrow is ontworpen voor faillissement, niet voor een leverancier die niet mág leveren — en vrijgave aan een Europese partij kan zelf de gecontroleerde handeling zijn, afhankelijk van classificatie, jurisdictie en vergunningen.

Waar de plicht wél hard is

De AI-verordening regelt kwaliteit, niet aanwezigheid: zij kent geen beschikbaarheidsgarantie, terwijl bewaar-, log- en verantwoordingsplichten over de gebruiksperiode blijven bestaan wanneer het systeem er niet meer is. Dat sluit aan bij wat wij eerder schreven over de cryptografische inventaris als bestuursdossier: verantwoording overleeft het systeem. Harder zijn DORA, dat sinds 17 januari 2025 exitstrategieën voor kritieke ICT-diensten verlangt, en de Cyberbeveiligingswet, die de toeleveringsketen in de zorgplicht trekt. Het artikel werkt zes toetsvragen uit voor de eerstvolgende contractverlenging en laat zien waarom dit uiteindelijk geen inkoopkwestie is: bij huisartsenposten, sociale diensten en kleine kantoren gaat de beschikbaarheid van een publieke dienst afhangen van buitenlands handelsbeleid.

Meer lezen
Het register komt voor de plicht: de Cyberbeveiligingswet en de grenzen van één inventarisatie

Op 15 augustus 2026 zijn de Cyberbeveiligingswet (Staatsblad 2026, 187) en het Cyberbeveiligingsbesluit (Staatsblad 2026, 189) in werking getreden. Nederland zet daarmee NIS2 om in nationaal recht, en de sectoren zijn ruimer getrokken dan onder de oude Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen: zorg, onderzoek, afvalwater, digitale dienstverlening en delen van de maakindustrie komen in beeld. Of een concrete organisatie werkelijk essentiële of belangrijke entiteit is, hangt af van de wettelijke definitie en het omvangscriterium, niet van de sector alleen. Voor wie eronder valt, is het vaak de eerste keer dat een sectorale toezichthouder op dit terrein meekijkt.

De zorgplicht begint bij een lijst

De aandacht gaat doorgaans naar de meldtermijnen en de bestuurdersaansprakelijkheid. Operationeel zwaarder wegen de bepalingen in het midden van het besluit. Artikel 16 verlangt beleid voor het beheer van assets, artikel 13 beleid over het gebruik van cryptografie, en de artikelen 10 en 11 beveiliging van de toeleveringsketen en van verwerving, ontwikkeling en onderhoud. Dat zijn vier zelfstandige verplichtingen die wel bij hetzelfde gegeven beginnen: wat heeft u, waarmee is het versleuteld, wie leverde het, en wat is er sindsdien veranderd. Voor cloud-, datacenter-, managed-service- en platformdiensten wijst artikel 4 van het besluit door naar Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2690; dat werkt per hoedanigheid, zodat beide regimes naast elkaar kunnen gelden voor een organisatie die meerdere rollen vervult. Zonder een betrouwbaar antwoord op de eerste vraag zijn de andere drie alleen op papier te beantwoorden — en een cryptografische inventarisatie laat zich, anders dan een beleidsvoornemen, feitelijk toetsen. Één gecombineerd register is daarbij een aanbevolen implementatiemodel, geen voorgeschreven vorm.

Verwante registers, verschillende rechtsgronden

De spreiding maakt het scherper. De Cyberbeveiligingswet stelt de vraag op entiteitsniveau. De Cyber Resilience Act stelt haar op productniveau in twee stappen: de meldverplichting van artikel 14 geldt vanaf 11 september 2026, de overige hier relevante fabrikantsverplichtingen — waaronder de softwarestuklijst — pas vanaf 11 december 2027; hoofdstuk IV van de verordening geldt al sinds 11 juni 2026. Het derde niveau is niet wettelijk maar contractueel, waar afnemers leveranciers verplichten hun cryptografie tijdig te kunnen vervangen. Die verzamelingen zijn niet identiek: een softwarestuklijst hoort bij het productdossier van een fabrikant, een inventaris bij de middelen van een entiteit, en ze overlappen alleen gedeeltelijk. Wat zich wél laat delen zijn de identificatoren. Wie per aanleiding een nieuwe lijst met eigen sleutels laat maken, houdt drie verzamelingen over die niet meer op elkaar te leggen zijn.

Waar AI-systemen buiten het register vallen

Een klassieke inventarisatie gaat over dingen met een versienummer en een eigenaar. Bij AI-systemen zit het model bij een aanbieder, veranderen de gewichten zonder dat de afnemer het merkt en loopt de afhankelijkheid via een API. Artikel 15 van de AI-verordening stelt voor hoog-risicosystemen eisen aan nauwkeurigheid, robuustheid en cyberbeveiliging. Dat een aanbieder daarvoor moet weten welke componenten die eigenschappen dragen, staat er niet met zoveel woorden; het is de praktische lezing van AIRecht. Onder die lezing is het dezelfde veronderstelling als in artikel 16 van het besluit, maar aan de andere kant van de keten. Het artikel werkt zes controlevragen uit waarmee een organisatie kan vaststellen of haar register een toezichtvraag overleeft, en laat zien waarom die vraag uiteindelijk niet administratief is maar publiek: bij drinkwater, ziekenhuizen en onderzoeksdata wordt de hersteltijd bepaald door wat de organisatie vooraf van zichzelf wist.

Meer lezen