Innovation, Quantum-AI Technology & Law

Blog over Kunstmatige Intelligentie, Quantum, Deep Learning, Blockchain en Big Data Law

Blog over juridische, sociale, ethische en policy aspecten van Kunstmatige Intelligentie, Quantum Computing, Sensing & Communication, Augmented Reality en Robotica, Big Data Wetgeving en Machine Learning Regelgeving. Kennisartikelen inzake de EU AI Act, de Data Governance Act, cloud computing, algoritmes, privacy, virtual reality, blockchain, robotlaw, smart contracts, informatierecht, ICT contracten, online platforms, apps en tools. Europese regels, auteursrecht, chipsrecht, databankrechten en juridische diensten AI recht.

Berichten met de tag AI-verordening
Wat je AI-leverancier met je prompts, data en output mag in 2026: training, geheimhouding en eigendom in het SaaS-contract

Een adviesbureau neemt een AI-assistent af als SaaS-dienst en de medewerkers plakken dagelijks klantstukken in het promptvenster. Drie maanden later vraagt een klant of zijn contract in het trainingsmateriaal van het model zit, en van wie de samenvatting is die hij kreeg. Het antwoord staat in drie clausules die in veel SaaS-contracten ontbreken of alleen in de versie van de leverancier staan. Dit artikel loopt ze langs, met de wettelijke laag eronder: artikel 28 AVG, artikel 1 Wet bescherming bedrijfsgeheimen en artikel 53 AI-verordening.

Wat de wet al regelt en waar zij ophoudt: AVG, Wet bescherming bedrijfsgeheimen en artikel 53 AI-verordening

Voor de persoonsgegevens die je invoert is de leverancier in de gebruikelijke SaaS-opzet verwerker, en eist artikel 28 AVG een verwerkersovereenkomst met verwerking uitsluitend op jouw instructies; traint de leverancier op diezelfde prompts voor een eigen doel, dan is hij daarvoor zelf verantwoordelijke met een eigen grondslag, en jouw contractuele instemming is geen toestemming van de betrokkenen. Voor stukken zonder persoonsgegevens telt de Wet bescherming bedrijfsgeheimen: informatie is pas een bedrijfsgeheim als de houder redelijke maatregelen heeft genomen om haar geheim te houden, en een contract dat hergebruik toestaat ondergraaft dat. Sinds 2 augustus 2025 verplicht artikel 53 AI-verordening aanbieders van AI-modellen voor algemene doeleinden tot een openbare samenvatting van hun trainingscontent volgens het sjabloon van 24 juli 2025, voor oudere modellen uiterlijk op 2 augustus 2027; die samenvatting beschrijft het model in het algemeen en geeft geen uitsluitsel over wat er met jouw prompts gebeurt.

Drie clausules: training en hergebruik, geheimhouding, en van wie de uitvoer is

De eerste clausule verbiedt training en hergebruik van jouw invoer en uitvoer zonder aparte schriftelijke toestemming, definieert wat "geanonimiseerd" betekent, noemt de subverwerkers en legt de bewaartermijn van prompts vast. De tweede rekt het geheimhoudingsbeding op tot invoer, uitvoer en metadata, ongeacht markering, regelt verwijdering en logging, en beperkt inzage door personeel van de leverancier. De derde regelt de eigendom van AI-output contractueel, omdat de menselijke creatieve inbreng bij een korte instructie vaak te klein is voor auteursrecht, en koppelt daar een vrijwaring aan en de bevestiging hoe de aanbieder synthetische uitvoer machineleesbaar markeert volgens artikel 50, tweede lid, AI-verordening, van toepassing sinds 2 augustus 2026 met een overgangstermijn tot 2 december 2026 voor oudere systemen. Het artikel eindigt met vijf vragen voor deze week en de contractscan van AIRecht, die het contract per clausule groen, oranje of rood kleurt en een tegenvoorstel meegeeft.

Meer lezen
Ongeveer 240.000 chauffeurs dagen Uber op 2 september 2026 voor de rechtbank Amsterdam: de collectieve actie test artikel 22 AVG als aansprakelijkheidsnorm voor algoritmisch management

Op 2 september 2026 heeft Stichting Worker Info Exchange International bij de rechtbank Amsterdam een collectieve actie ingesteld tegen Uber namens ongeveer 240.000 chauffeurs uit Nederland, het Verenigd Koninkrijk, België, Frankrijk, Duitsland, Polen en Roemenië. De vordering gaat over de manier waarop Uber sinds 2020 het vaste beloningsmodel heeft vervangen door dynamische systemen die per rit de vergoeding en de toewijzing bepalen, en niet over de arbeidsrechtelijke status van de chauffeur. De stichting stelt dat die systemen uitsluitend geautomatiseerde besluiten zijn met aanmerkelijke gevolgen voor de chauffeur, in strijd met artikel 22 AVG, dat Uber historische chauffeursdata heeft gebruikt om het algoritme te trainen, en dat persoonsgegevens tussen augustus 2021 en november 2023 zonder de vereiste waarborgen buiten de Europese Unie zijn verwerkt. Gevorderd worden schadevergoeding voor gederfd inkomen en immateriële schade, beëindiging van de gewraakte werkwijze en maatregelen die herhaling voorkomen.

Waarom de vordering op artikel 22 AVG steunt en niet op het arbeidsrecht

Artikel 22 AVG geeft iedere betrokkene het recht niet te worden onderworpen aan een uitsluitend op geautomatiseerde verwerking gebaseerd besluit dat rechtsgevolgen heeft of hem anderszins in aanmerkelijke mate treft, behoudens de uitzonderingen van lid 2 en met de waarborgen van lid 3: menselijke tussenkomst, het recht een standpunt kenbaar te maken en het recht het besluit aan te vechten. Artikel 15 lid 1 sub h AVG geeft daarnaast recht op nuttige informatie over de onderliggende logica van zulke besluitvorming. Het gerechtshof Amsterdam paste die bepalingen op 4 april 2023 al toe in drie zaken tegen Uber en Ola, waaronder ECLI:NL:GHAMS:2023:796 over batched matching, upfront pricing en de dynamische tarieven; het hof oordeelde daar dat opeenvolgende ritprijs- en toewijzingsbesluiten de chauffeur financieel in aanmerkelijke mate treffen. Die procedures waren individuele informatievorderingen; de zaak van 2026 vraagt een verbod en schadevergoeding namens de hele groep.

De WAMCA als procesroute, en de trainingsdata als tweede grondslag

Het artikel legt uit hoe de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie en artikel 3:305a BW de procesroute vormen, met een exclusieve belangenbehartiger, een opt-out voor Nederlandse en een opt-in voor buitenlandse gedupeerden. Het beschrijft waarom de tweede grondslag — het trainen van het beloningsalgoritme op historische chauffeursgegevens — de zaak verbindt met de bredere vraag naar de rechtmatigheid van modeltraining op persoonsgegevens, waar doelbinding, minimale gegevensverwerking en de grondslagen van artikel 6 AVG samenkomen.

Wat de zaak betekent voor iedere organisatie die met algoritmes stuurt

Roosters die een model maakt, tarieven die per opdracht worden berekend, prestatiescores die bepalen wie werk krijgt en waarschuwingen die tot schorsing leiden, vallen in dezelfde categorie zodra zij uitsluitend geautomatiseerd tot stand komen. De Platformrichtlijn (EU) 2024/2831 moet uiterlijk op 2 december 2026 zijn omgezet en voegt transparantie- en toezichtplichten voor platformwerk toe; de AI-verordening rekent systemen voor werving, taaktoewijzing en evaluatie van werknemers tot bijlage III, waarbij profilering van natuurlijke personen de hoog-risicokwalificatie hoe dan ook in stand laat. Algoritmisch management krijgt met de WAMCA een collectieve procesroute, en de rechtbank moet nog beslissen of artikel 22 AVG als aansprakelijkheidsnorm standhoudt. Het stuk sluit af met de drie documenten die een organisatie nu moet kunnen tonen: een besluitenkaart, een tussenkomstprotocol en een trainingsdata-register.

Meer lezen
CBP opende op 2 september 2026 een consultatie over herkomstgegevens bij invoer (91 FR 56408); de CRA-meldplicht start 11 september 2026

Op 2 september 2026 opende U.S. Customs and Border Protection een consultatie over invoergegevens: welke herkomst-, keten- en productiegegevens een invoerder in de toekomst zou moeten aanleveren. Het stuk staat op 91 FR 56408, draagt docket USCBP-2026-1058 en RIN 1685-AA47, ziet op 19 CFR 141, 142, 143 en 163, en staat open voor reacties tot 1 december 2026. Het is een advance notice of proposed rulemaking: het schrijft nog niets voor, het vraagt. Negen dagen later, op 11 september 2026, begint in de Europese Unie de meldplicht van artikel 14 van de Cyber Resilience Act. Het Amerikaanse stuk is nog een consultatie; de Europese meldplicht is geldend recht. De gevraagde gegevens overlappen aanzienlijk zonder ooit hetzelfde formulier te worden.

Wat CBP ter consultatie legt

De uitvraag omvat buitenlandse fiscale nummers en mondiale bedrijfsidentificatoren, gedetailleerde gegevens over de toeleveringsketen en de productiemethode, technische traceeroplossingen, en de documentatie die de buitenlandse exporteur bij zijn eigen douane moest indienen vóór verzending. Dat laatste punt is voor Nederlandse leveranciers het scherpst. Een aangifte ten uitvoer bij de Nederlandse Douane wordt gedaan onder het Douanewetboek van de Unie, waarvan artikel 12 de douaneautoriteiten tot geheimhouding verplicht. Die plicht rust op de autoriteit en niet op het document: gaat hetzelfde stuk via de leverancier mee naar een Amerikaanse invoerprocedure, dan beheerst Amerikaans recht wat ermee gebeurt, terwijl de gevraagde productiegegevens precies het materiaal zijn dat de Wet bescherming bedrijfsgeheimen beoogt af te schermen.

Verwante gegevens, vier verschillende regimes

De Cyber Resilience Act verlangt vanaf 11 september 2026 een vroegtijdige waarschuwing binnen 24 uur, een volledige melding binnen 72 uur en een eindverslag binnen veertien dagen na een corrigerende maatregel, via één meldplatform naar het aangewezen CSIRT en ENISA. Die melding vraagt zelf geen componentenlijst; de verplichting om componenten vast te leggen in een machineleesbare software bill of materials volgt pas op 11 december 2027. Daarnaast vraagt de Cyberbeveiligingswet sinds 15 augustus 2026 om beheersing van leveranciers- en ketenrisico's bij essentiële en belangrijke entiteiten, zonder een format voor te schrijven, en verlangt de AI-verordening in bijlage IV en artikel 53 een beschrijving van componenten en instrumenten van derden.

Wat dit betekent voor leverings- en inkoopcontracten

Eén consultatie en drie geldende regimes vragen, met verschillende geadresseerden en formats, naar gegevens over hetzelfde onderwerp; een opgave onder het ene regime kwijt niemand van het andere. De administratieve last landt onevenredig bij kleine toeleveranciers, die de vragen doorgegeven krijgen door afnemers die hun eigen plicht moeten aantonen. De publieke inzet zit aan de andere kant: ziekenhuizen, waterschappen en netbeheerders moeten na een incident kunnen achterhalen welk onderdeel het betrof en wie het leverde. Het artikel zet de zes verplichtingen met hun data en geadresseerden naast elkaar in één tabel, en benoemt de drie bepalingen die in leveringscontracten het vaakst ontbreken en die u kunt nalopen: wie herkomstgegevens mag doorgeven, wie de kosten van de opgave draagt, en binnen welke termijn een leverancier de componentvraag moet kunnen beantwoorden.

Meer lezen
GB/Z 195-2026 beschrijft AI-agents die fabrieksinstallaties aansturen; de EU-Machineverordening geldt vanaf 20 januari 2027, de AI-eisen voor machines vanaf 2 augustus 2028

De Chinese normalisatieautoriteit registreerde op 30 juli 2026 GB/Z 195-2026, een van drie richtinggevende technische documenten voor industriële AI. Het is een referentiearchitectuur voor industriële agents met acht functionele modules — waarneming, geheugen, redeneren, plannen, beslissen, uitvoeren, communiceren en evolueren — en met tweerichtingsinteractie naar zowel de informatiesystemen als de fysieke installatie. Op 28 augustus 2026 gaf Sina Finance een bericht door van Supcon, een leverancier van procesbesturing die aan het opstellen meewerkte en rond de tweehonderd draaiende installaties noemt bij onder meer Sinopec, PetroChina en Wanhua Chemical. De westerse tegenhanger, Anthropics Model Hardware Standard, ging deze zomer als besloten onderzoekspreview naar geselecteerde organisaties.

Waarom de uitvoermodule het regime bepaalt

Een agent die alleen leest en adviseert, blijft in Europa doorgaans softwaredienstverlening. Zodra een module een klep opent, een dosering wijzigt of een beweging start, komt de vraag op tafel of zij een veiligheidscomponent is in de zin van artikel 3 van de machineverordening. Dat is geen automatisme — beoogd doel, inbouw en zelfstandige marktintroductie tellen mee — maar valt zij eronder, dan geldt het regime van conformiteitsbeoordeling van machines: technisch dossier, CE-markering, en voor Bijlage I, deel A, een aangemelde instantie in plaats van interne fabricagecontrole. De module die in GB/Z 195-2026 evolueren heet, maakt dat scherper, want zij gaat uit van gedrag dat na oplevering verandert — precies het gegeven waarop het Europese recht zowel de conformiteit als het ontstaansmoment van een gebrek laat draaien.

De Europese data staan vast, de norm niet

De nieuwe productaansprakelijkheidsrichtlijn (EU) 2024/2853 moet uiterlijk 9 december 2026 zijn omgezet en geldt voor producten die daarna in de handel komen; zij brengt software en AI-systemen uitdrukkelijk onder het begrip product, laat de bewijslast bij de eiser en verbindt aan het negeren van een rechterlijk openbaarmakingsbevel een weerlegbaar vermoeden. Conformiteitsbeoordeling en CE-markering bestaan al onder Machinerichtlijn 2006/42/EG; die richtlijn wordt ingetrokken met ingang van 14 januari 2027 en de machineverordening (EU) 2023/1230 geldt vanaf 20 januari 2027, met veiligheidscomponenten met zelfontwikkelend gedrag in Bijlage I, deel A. Voor de AI-eisen geldt sinds verordening (EU) 2026/1744 van 24 juli 2026 een latere datum, 2 augustus 2028, en een andere route: de machineverordening is naar deel B verplaatst, zodat de materiële AI-waarborgen via gedelegeerde handelingen in het sectorale productrecht moeten landen. De geharmoniseerde normen onder normalisatieverzoek M/593 en wijzigingsverzoek M/613 worden voor het vierde kwartaal van 2026 aangekondigd en waren op 30 augustus 2026 nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.

Wat dit betekent voor een Nederlandse machinebouwer of inkoper

Bij stoomtoestellen kende Nederland vergunning, beproeving en jaarlijkse visitatie vanaf het Koninklijk Besluit van 6 mei 1824, ruim voordat de Stoomwet van 1869 het onderwerp een eigen wet gaf: de keuring liep voor op de wet. Hier ontbreekt juist de meetlat waaraan gekeurd zou worden. De openbaarmaking van agentbeslissingen die een rechter kan bevelen, kan alleen worden nagekomen door partijen die hun logging vooraf hebben ingericht. Wie procesbesturing inkoopt, doet er verstandig aan nu vast te leggen welke functies de fysieke installatie raken, wanneer het gedrag na oplevering verandert, welke bedieningslimieten en noodstops uit de leverancierspecificatie komen in plaats van uit de eigen risicobeoordeling, en naar welke architectuur de documentatie van de geleverde installatie verwijst. Dat laatste is de stille route waarlangs een buitenlandse leidraad in een Nederlands technisch dossier belandt.

Meer lezen
Scalable Capital laat ChatGPT orders plaatsen. Wat de ESMA-briefing van 26 februari 2026 zegt over de bevestigingsknop en MiFID II.

Scalable Capital kondigde op 25 augustus 2026 in München aan dat het als eerste bank in Europa zijn platform openstelt voor ChatGPT, Claude en Grok. Klanten van de neobroker — ruim een miljoen, met meer dan zestig miljard euro aan belegd vermogen — koppelen hun rekening via het Model Context Protocol aan een assistent, die vervolgens kan handelen, spaarplannen instellen, watchlists beheren en koersalerts zetten. De bank leunt in haar voorwaarden op één ontwerpkeuze: elke transactie vereist een expliciete bevestiging van de klant, en de externe AI-applicaties opereren volgens die voorwaarden buiten haar controle.

ESMA beoordeelde de bevestigingsknop al in februari

Zes maanden eerder publiceerde ESMA een supervisory briefing over algoritmische handel onder MiFID II, referentie ESMA74-1505669079-10311, gedateerd 26 februari 2026. Punt 13 van dat document gaat rechtstreeks over het argument dat menselijke tussenkomst de kwalificatie wegneemt. Veel ondernemingen bouwen zo'n tussenkomst in en stellen daarom dat zij geen algoritmische handel bedrijven; die tussenkomst, schrijft de toezichthouder, doet niets af aan het feit dat een computeralgoritme individuele parameters van de order heeft bepaald. Alleen wanneer de mens alle handelsparameters zelf vaststelt, valt het systeem buiten de definitie van artikel 4, lid 1, onder 39, van MiFID II. De vraag verschuift daarmee van de bevestiging naar de prompt ervoor: wie rekent de limietprijs uit, en wie bepaalt de omvang van de inleg?

Ketens, uitlegbaarheid en de jaarlijkse zelfevaluatie

De briefing behandelt in de punten 33 tot en met 37 de vraag hoe de verantwoordelijkheid wordt verdeeld wanneer algoritmen door derden worden geleverd of bediend, met een uitdrukkelijke passage over aanbieders uit derde landen die in de Unie geen vergunning als beleggingsonderneming hebben. Voor de organisatorische kant wijst ESMA in punt 48 twee bepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/589 aan: artikel 9 over de jaarlijkse zelfevaluatie met een validatierapport, en artikel 2 over de kennis van compliancemedewerkers, waaruit de toezichthouder afleidt dat de algoritmen uitlegbaar moeten zijn en dat de onderneming zelf moet kunnen uitleggen hoe AI de besluitvorming beïnvloedt.

Wat het artikel uitwerkt

Het stuk zet de tijdlijn en de bepalingen naast elkaar en behandelt vier vragen die daaruit volgen. Waar loopt de grens tussen een prompt waarin de klant alle parameters aanlevert en een prompt waarin het model er een berekent? Hoe verhoudt de organisatorische verantwoordelijkheid in de lidstaat van herkomst zich tot het gedragstoezicht in de lidstaat van ontvangst, nu Scalable Capital Bank GmbH een Duitse bank is die Nederlandse klanten via het Europese paspoort bedient? Waarom komt de AI-verordening hier binnen via de transparantiebepaling van artikel 50 en niet via de hoogrisicolijst, en wat betekent dat voor artikel 74, lid 6? En welke dossier-, order- en controleplichten gelden er feitelijk in beide kwalificaties, zodat zichtbaar wordt wat een belegger na een verlies daadwerkelijk in handen heeft. Het artikel sluit af met vijf concrete vragen aan de eigen orderketen, elk opgehangen aan een genummerd punt van de briefing.

Meer lezen
Het anagram van Huygens en de aanval die niemand publiceert

Christiaan Huygens legde in 1656 een reeks losse letters vast achterin een geschrift over Saturnus. Wie de reeks las wist niets; wie drie jaar later de oplossing zag in Systema Saturnium, wist dat Huygens de ring al die tijd had gekend. Die zeventiende-eeuwse gewoonte kreeg in augustus 2026 een juridische keerzijde. In PRX Quantum verscheen op 21 augustus „Securing Elliptic Curve Cryptocurrencies against Quantum Vulnerabilities” van Babbush, Gidney, Boneh en anderen, met een middelenschatting voor een quantumaanval op secp256k1 in de orde van 1.200 logische qubits. De geoptimaliseerde circuits bleven achtergehouden onder responsible disclosure, en de gestelde bovengrens werd vastgelegd in een zero-knowledge-bewijs. Er ligt sindsdien een gecontroleerde bewering op tafel waarvan vrijwel niemand de onderbouwing heeft gezien.

Het bewijs hield, de bewijsmachine niet

Dat die constructie zorgvuldige formulering verdient, bleek al eerder. Trail of Bits publiceerde op 17 april 2026 een vervalst bewijs met betere cijfers dan Google zelf — geen quantumdoorbraak, maar geheugen- en logicafouten in het Rust-gastprogramma dat de te bewijzen berekening definieert. De verifier accepteerde vervolgens correct een geldig bewijs onder die gebrekkige relatie, niet te onderscheiden van een echt bewijs; Google repareerde de code en de wetenschappelijke claim bleef staan. Vier lagen vallen in het spraakgebruik samen en gedragen zich juridisch verschillend: de eigenschappen van het bewijssysteem, de omschrijving van de relatie die feitelijk wordt bewezen, de reikwijdte van de bewering zoals de lezer haar begrijpt, en de betrouwbaarheid van wie het bewijs aanlevert.

Drie vormen van beperkte inzage

Nederlandse juristen kennen een verwante figuur. Artikel 8:29 Awb kent de beperkte kennisneming: de bestuursrechter mag stukken zien die de wederpartij niet krijgt, mits de beperking gerechtvaardigd is en de andere partijen toestemming geven voor een uitspraak mede op grond daarvan. Daarnaast staat artikel 78 van de AI-verordening, waarin een toezichthouder de informatie juist wél krijgt en gebonden is aan geheimhouding, terwijl artikel 92 de Commissie eigen evaluatiebevoegdheid en toegang geeft. Het zero-knowledge-geval is de derde vorm: de indienende partij houdt het materiaal zelf, en de controlerende partij krijgt het nooit te zien. Die drie door elkaar halen levert onjuiste verwachtingen op over wat een toezichthouder mag vragen en wat een leverancier mag aanbieden.

Zes vragen voor de praktijk

Voor inkoop, contractsbeoordeling en compliance levert dat een concreet toetsingskader op: wat is letterlijk bewezen, wie formuleerde die bewering, welk verificatieprogramma controleert haar en wie onderhoudt dat, kan een derde de controle herhalen, welke aansprakelijkheid en meldtermijn gelden bij falen, en — de vraag die het vaakst ontbreekt — wanneer vervalt de geheimhouding. De anagramtraditie werkte omdat zij eindig was. Een leveranciersverklaring die op een ongepubliceerd resultaat steunt, hoort daarom een datum te bevatten waarop de onderliggende analyse alsnog toetsbaar wordt, met een rechtsgevolg wanneer die datum ongebruikt verstrijkt.

Meer lezen
Vierentwintig uur voor de melding, twee jaar voor het bestuur

Sinds 15 augustus 2026 geldt de Cyberbeveiligingswet, de Nederlandse omzetting van de NIS2-richtlijn. De wet staat in Staatsblad 2026, 187 en het bijbehorende Cyberbeveiligingsbesluit in Staatsblad 2026, 189, beide van 8 juli 2026 en gepubliceerd op 10 juli; artikel 35 van het besluit laat wet en besluit op één datum in werking treden. Geen fasering, geen uitgestelde hoofdstukken. Voor ruim achtduizend organisaties gelden sindsdien registratieplicht, zorgplicht en meldplicht tegelijk, en zijn die verplichtingen vanaf diezelfde dag handhaafbaar.

Drie termijnen aan de voorkant

De meldplicht loopt in stappen: een vroegtijdige waarschuwing onverwijld en uiterlijk binnen vierentwintig uur, de melding zelf binnen 72 uur, en het eindverslag uiterlijk één maand daarna — met een voortgangsverslag en een later eindverslag wanneer het incident langer duurt. Melden gebeurt via het meldpunt dat het NCSC voor dit doel inricht. De zwaarste juridische beoordeling valt daarmee op het vroegste moment, want binnen een etmaal moet iemand vaststellen of een verstoring een significant incident is. De maatstaf daarvoor staat in artikel 25, tweede lid, van de wet; artikel 23 van het besluit maakt aanvullende of specifieke drempels mogelijk, die voor een deel van de entiteiten al via sectorale regelingen en Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2690 zijn ingevuld. Dat pleit ervoor de interne drempel vast te leggen en te koppelen aan een functie die 's nachts bereikbaar is.

Het toezicht was op tijd

Wie handhaaft, is geen open vraag. Artikel 15 van de wet wijst de bevoegde autoriteit per sector rechtstreeks aan, van Binnenlandse Zaken voor de overheid tot Volksgezondheid voor de zorg, en artikel 68 laat de betrokken minister de ambtenaren aanwijzen die het toezicht uitvoeren. Die aanwijzingen verschenen in juli 2026 in de Staatscourant: de Inspectie Leefomgeving en Transport voor onder meer vervoer, drinkwater en afvalwater, de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur voor haar eigen domein. Het handhavingsapparaat stond er dus voordat de eerste meldplicht ontstond.

Meldtermijn van een etmaal, scholingstermijn van twee jaar

Artikel 24 van de wet verplicht bestuurders tot scholing waarmee zij beveiligingsrisico's herkennen en beheersmaatregelen en gevolgen beoordelen, met een termijn van maximaal twee jaar; het besluit werkt de scholings- en certificaateisen uit. Dat legt de asymmetrie bloot die deze eerste maanden kenmerkt: de meldplicht werkt vanaf de eerste dag, terwijl het bestuurlijke oordeel over risico's en maatregelen twee jaar mag rijpen. Die termijn verzacht de zorgplicht niet, en dat maakt de vastlegging van bestuursbesluiten nu belangrijker dan gebruikelijk. Deze analyse zet de rechtsgevolgenkalender op een rij, laat zien waar de zorgplicht en de AI-verordening op dezelfde leveranciersketen landen — waarover wij eerder schreven in Het register komt voor de plicht — en sluit af met vier vragen die deze maand een antwoord op papier verdienen.

Meer lezen
Exportcontrole bereikt de API, en het contract zwijgt

Op 12 juni 2026 gaf het Amerikaanse Bureau of Industry and Security Anthropic de aanwijzing twee modellen ontoegankelijk te maken voor buitenlandse onderdanen. Omdat nationaliteit niet in real time betrouwbaar is vast te stellen, ging de dienst dezelfde dag wereldwijd uit — voor iedereen. Op 23 juni maakte Legion LegalTech Corp, een juridisch softwarebedrijf uit San Jose met een ontwikkelteam in Canada, bij de federale rechtbank in Washington D.C. een procedure aanhangig tegen de Amerikaanse staat. Die procedure liep dood zonder inhoudelijk oordeel: het Department of Commerce trok de aanwijzing eind juni in, de toegang werd hersteld en Legion beëindigde de zaak op 3 juli 2026 vrijwillig. Wat overblijft is geen uitspraak maar een proefopstelling — en voor Nederlandse afnemers een blootstelling. De aanwijzing richtte zich op buitenlandse onderdanen binnen én buiten de Verenigde Staten; dat de aanbieder de modellen vervolgens voor iedereen uitschakelde, was zijn eigen uitvoeringskeuze.

Geen wanprestatie, wel stilstand

Wat er gebeurde, laat zich het beste beschrijven door op te sommen wat er níet gebeurde. Geen storing, geen faillissement, geen datalek. Er was wél niet-nakoming; open staat alleen of die tekortkoming de leverancier valt toe te rekenen. De rekenkracht stond er nog, de modelgewichten stonden er nog, de overeenkomst liep nog. Wat wegviel was de toestemming — en die was in vrijwel geen enkel afnamecontract als variabele benoemd. Het Amerikaanse begrip deemed export ziet daarbij specifiek op vrijgave aan een buitenlandse persoon binnen de Verenigde Staten; levert toegang voor een Canadees in Canada een gecontroleerde vrijgave op, dan komen juist de territoriale categorieën uitvoer, wederuitvoer of overdracht in beeld. Het Unierecht kent voor de eerste figuur geen algemeen equivalent: Verordening (EU) 2021/821 knoopt aan bij een bestemming buiten het douanegebied van de Unie. De risicoanalyse van de leverancier is dus op een andere kaart getekend dan die van de afnemer.

Waarom boek 6 hier weinig oplevert

Een leverancier die een dwingend overheidsbevel uitvoert, beroept zich op overmacht in de zin van artikel 6:75 BW. Slaagt dat beroep, dan is de tekortkoming niet toerekenbaar en vervalt de aanspraak op schadevergoeding — al blijft de contractuele risicoverdeling bepalend. Wat niet vervalt, is de last bij de afnemer. Opschorting van de betaling helpt niet wie de dienst nodig heeft; ontbinding — die volgens artikel 6:265 BW geen toerekenbaarheid vereist — levert een vrije partij op zonder alternatief. Ook de klassieke Nederlandse zekerheid werkt hier niet: broncode-escrow is ontworpen voor faillissement, niet voor een leverancier die niet mág leveren — en vrijgave aan een Europese partij kan zelf de gecontroleerde handeling zijn, afhankelijk van classificatie, jurisdictie en vergunningen.

Waar de plicht wél hard is

De AI-verordening regelt kwaliteit, niet aanwezigheid: zij kent geen beschikbaarheidsgarantie, terwijl bewaar-, log- en verantwoordingsplichten over de gebruiksperiode blijven bestaan wanneer het systeem er niet meer is. Dat sluit aan bij wat wij eerder schreven over de cryptografische inventaris als bestuursdossier: verantwoording overleeft het systeem. Harder zijn DORA, dat sinds 17 januari 2025 exitstrategieën voor kritieke ICT-diensten verlangt, en de Cyberbeveiligingswet, die de toeleveringsketen in de zorgplicht trekt. Het artikel werkt zes toetsvragen uit voor de eerstvolgende contractverlenging en laat zien waarom dit uiteindelijk geen inkoopkwestie is: bij huisartsenposten, sociale diensten en kleine kantoren gaat de beschikbaarheid van een publieke dienst afhangen van buitenlands handelsbeleid.

Meer lezen